Opbouwwerk en het verhaal van de soepsteen.

Onlangs hoorde ik het prachtige verhaal over de vreemdeling die in een dorp kwam en die de bewoners daar  met een zogenaamde soepsteen uitdaagde om gezamenlijk soep te maken.  “Dat is een opbouwwerkverhaal” , dacht ik. Oftewel: een  prachtige metafoor voor het opbouwwerk. In wijken en dorpen  zijn veel latente talenten en krachten aanwezig. En bijna altijd liggen oplossingen voor ervaren problemen dicht bij huis , in de buurt zelf. Er is alleen een buitenstaander  nodig om dit boven tafel te krijgen.

Opbouwwerkers gaan er vanuit dat iedereen een steentje kan bijdragen. Daarmee  haken ze daar aan waar energie zit  bij bewoners. Als opbouwwerker loop je  een tijdje op met de buurt, maar je blijft een nieuwsgierige buitenstaander, die vragen stelt. Iemand die daardoor talenten en energie aanboort, zodat een buurt, een wijk of een dorp zelf oplossingen aandraagt en actie onderneemt. Dan ontstaan er de mooiste en verrassendste ontwikkelingen.  In de bijna dertig jaar dat ik opbouwwerker ben verbaas ik me nog steeds over de inzet van bewoners en de activiteiten die ze bedenken wanneer ze daartoe worden uitgedaagd. Onvermoede krachten en kwaliteiten komen dan boven in een buurt. Bewoners zijn dan vaak zelf verbaasd over wat ze kunnen en zelf tot stand hebben gebracht. In het verhaal (het ‘sprookje”) van de soepsteen is het de gezamenlijke soep die bewoners maken en het feest dat ze samen vieren. In dorpen, buurten en wijken  is het uiteraard veel meer dan het samen soep koken. Daar worden spelweken georganiseerd, buurttuinen ontworpen en onderhouden, wijkgebouwen zelf geëxploiteerd, parkjes door buurtgenoten aangelegd, straten gezamenlijk schoongehouden, ruilmarkten georganiseerd enzovoort. En er worden bijvoorbeeld afspraken gemaakt om gezamenlijk te eten en te koken of voor elkaar te zorgen, er komt een eigen wijkkrant of dorpskrant, er is een buurt-app en er zijn gezamenlijke afspraken over energiebesparing.

Bewoners doen het zelf; de opbouwwerker vraagt, daagt uit en stimuleert. Als nieuwsgierige buitenstaander, die op termijn weer vertrekt. Zoals de vreemdeling in het verhaal van de soepsteen.

 

Gerrit van Arragon

 

De soepsteen

In een dorp waar veel armoede was liep een vreemdeling. Hij had een lange weg achter de rug en was hongerig, maar begreep dat hij in dit dorp niet zomaar om eten kon vragen. Het was koud. Toch was er in de meeste huizen geen vuur in de open haard. 
In een huis waar wel vuur brandde zag hij een paar gezinnen bij elkaar zitten. "Dat doen ze zeker om brandstof te sparen", dacht de vreemdeling. Hij klopte op de deur en vroeg of hij zich ook bij het vuur mocht warmen. De kamer zat al vol, maar iedereen schoof een plaatsje op zodat er voor de vreemdeling ook nog een plaatsje was. De mensen zagen er hongerig uit. Toch werd er geen eten klaargemaakt. "Ik zou graag soep op het vuur willen koken", zei de vreemdeling, "hebben jullie een grote pan voor me?" Verbaasd keken de mensen hem aan en vroegen: "Waar wil je soep van koken? Je rugzak is bijna leeg, daar kan niet veel in zitten om soep van te koken."De man haalde een mooie steen uit zijn zak en zei: "Dit is een heel bijzondere steen. Een soepsteen. Als jullie een pan met water op het vuur zetten, kan ik van deze steen soep koken."

De mensen geloofden niet direct wat de man zei, maar ze hadden wel een grote pan en genoeg water, dus konden ze het allicht proberen. Nieuwsgierig zagen ze hoe hij de steen voorzichtig in de pan met water legde, die op het vuur was gezet. En vol verwachting bleven ze naar de pan kijken, waarin het water langzaam warm werd en tenslotte begon te koken.

Toen zei de man: "Nu zou er eigenlijk een beetje zout aan toegevoegd moeten worden." De vrouw, die in het huis woonde, stond op en haalde wat zout uit de kast. "Ik heb ook nog een laurierblaadje", zei ze, "zal ik dat er ook in doen?" "Goed", zei de man, "Een stukje vlees zou de soep nog lekkerder maken." De buurvrouw zei: "Ik heb in de kelder nog wat soepvlees voor het avondeten bewaard. Nu we hier samen soep gaan eten, kan ik het er wel bijdoen." Ze haalde het vlees en nam ook een paar worteltjes uit de tuin mee. "Een ui en een prei zouden er ook goed in smaken", zei de vreemdeling. "Die heb ik nog in mijn tuin", zei de overbuurman. "Ik heb nog een restje bonen en wat selderij", zei een ander.
Iedereen haalde iets op waardoor de soep nog lekkerder en voedzamer kon worden. En even later hing er een heerlijke geur in de kamer. De borden en lepels werden alvast klaar gezet. Na een poosje stond de man op, roerde in de soep en proefde. "De soep is klaar", zei hij en schepte de borden vol.

Allen smulden van die overheerlijke soep. In lange tijd hadden ze niet zo heerlijk gegeten. Ze aten met elkaar de hele pan leeg. Iedereen voelde zich weer blij, en je merkte aan de mensen, dat ze er echt van genoten hadden. De speelman pakte eindelijk weer zijn viool  en de mensen begonnen te dansen en te lachen. Het dorpelingen hadden weer plezier. 
"Het spijt me." zei de vreemdeling na een tijdje, “maar ik moet vertrekken”. Hij pakte zijn rugzak en liep het dorp uit.  " De soepsteen mag je houden" riep hij nog naar de dorpelingen die hem uitzwaaiden. En even buiten het dorp bukte de man zich. Hij raapte weer een steen van de grond en stak die in zijn zak. Hij ging op weg naar een volgend dorp...